>
Poëtisch Liedgenootschap
"Tot Innerlijk Bloei"

Poëzie en volksrijmen getoonzet en gezongen door Anton Greefkes

C.S. Adema van Scheltema

Amsterdam, 26 februari 1877 - Bergen, 6 mei 1924

Zoo zijn dan ook Gorter, H. Roland Holst, Scheltema, van Collem verschijnselen die moesten komen, organisch, van zelfsprekend. Thans na zooveel jaren zien wij dat zij niet alleen drijvers, maar gedrevenen waren, uitvoerders van den wil die in de evolutie van het menschelijk voëlen en denken ligt.
Meer dan Kloos c.s. afhankelijk van en verbonden met hun onmiddellijke voorgangers, lieten zij het begrip dichterschap ankeren in veel breeder en lager groepen hunner tijdgenooten en leerden zij dat ook in het donker, in het leed, en in de alledaagschheid het wonder van de schoonheid en van het bezielde lag.

Ieder deed dat op zijn wijze.
Scheltema deed het zoo, dat door hem het grootst aantal menschen de liefde deelachtig werd tot het wonder der dichtkunst.
Daardoor moest hij dikwijls afdalen tot hun geestelijk niveau en de ,,voorname dichters" hebben niet nagelaten hem daarvan een verwijt te maken. Maar hij verstond de kunst zijn lezers op een hooger plan te brengen. Zoo werd hij de onmisbare bemiddelaar tusschen de toppen van den Olympus en de laagvlakte.C.S. Adema van Scheltema

De plaats die de dichter Adama van Scheltema inneemt in onze letterkunde is nog niet precies omschreven. Wie zich in zijn werk verdiept, begrijpt dat het niet aangaat hem zonder meer tot de socialistische dichters te rekenen, zooals dit nog al te vaak geschiedt. Maar ook een individualist als Kloos en van Deyssel kan hij niet genoemd worden.

Wanneer wij trachten ons rekenschap te geven van den zin dezer begrippen, dan komen wij, theoretisch-gesproken, tot het inzicht, dat de individualist zich hoofdzakelijk bezig houdt met zijn eigen problemen, met zijn persoonlijke verhoudingen tegenover de menschen, de natuur en de dingen, terwijl de socialistische dichter in de eerste plaats bewogen wordt door de moeiten en de smarten zijner medemenschen, voor zoover die moeiten en die smarten voortkomen uit sociale (wan)toestanden.

Nu spreekt het van zelf, dat geen mensch alleen maar het eene, of alleen maar het andere nastreeft. Ieder heeft sociale neigingen in mindere of meerdere mate en ieder