De arme luitspeler

Theodor van Rijswijck

1811-1849

uit: Balladenboek
Balladen bijeengebracht door:
Tjaard W.R. de Haan
Prismareeks

Men vind dit kenmerkende vers van de Antwerpse volksdichter ook
in zijn Volledige Dichtwerken. Een uitgave van J. E. Buschmann te Antwerpen.
Een lier is in dit geval een draailier. Naar het Hoogduitsch

1.Er trok een oude liereman
Langs d'oever van de Rijn
Hij was zo arm als oud en grijs
Zoo zwak en zoo vol pijn.

2. Ách!'zo zuchtte hij,'waar zal ik heen?
Mijn kracht is thans vergaan,
En nergens tref ik heul, noch troost,
Noch medelijden aan.

3. Als ik voor jaren lustig zong,
Vroeg iederen mij tot gast;
Nu ben ik oud en krachteloos,
En iedereen tot last.

4.Nu dwaal ik eenzaam om en rond,
En ween mijn aanzicht nat;
Helaas! mijn zang is dof en schor,
Mijn snaren voos en mat.'

5. Zoo trok hij langs den stroom naar Mainz
Voorbij een bidkapel.
Waaruit een kleppend klokje klonk.
Zoo statig en zoo schel.

6.Daar hield hij voor den ingang stil.
En zag op 't hoogaltaar
Het prachtig beeld der Moeder Gods,
Van goud en peerlen zwaar.

7. Vol godsvrucht kwam hij naderbij,
En voelde als in zijn hart,
Dat dáár nog troost en redding was,
En balsem voor de smart.

8.Hier weent en sninkt hij, droef te moe,
Zijn leed en lijden uit;
En speelt, de Moedermaagd ter eer,
Een liedje op de luit.

9. 'Ach!'bad hij, 'klinkt mijn toon te flauw,
Zoo helder eens voorheen;
U maakt de schorre vedel niets'
Gij hoort het hart alleen.'

10. Hij sprak , en wilde verder gaan;
Maar zie, van 't hoogaltaar
Werpt hem het beeld een schoentje toe,
Van goud en peerlen zwaar.

11.Onthutst nam hij die gift tot zich,
Hij dankte wat hij mocht;
Trok naar de stad, waar hij zich ras
En brood en deksel kocht.

12. Daar vatte hem het hoog gerecht
Al daadlijk bij den kop,
En bracht hem onbeleefd en wreed
Ter strenge vierschaar op.-

13.'Mij gaf het beeld den schoen tot loon!
'Riep de arme man versaagd;
'Dit tuig ik voor God den Heer
En voor de Moedermaagd.

14. Zij hoorden naar zijn eeden niet,
Zijn vonnis werd geveld,
En als een dief moest hij ter dood,
Op 't schandig galgenveld

15. Zij sleepten hem er woedend heen,
Bij ruwen stoot en slag,
Maar, als hij langs het kerkje ging
En 't prachtig beeld weer–zag:

16. Dan riep hij luid: O, Moeder Gods!
Om 't leed dat u beviel,
Ik offer u mijn leven op,
Behoed mijn arme ziel!

17. Haast ben ik alle rampen door,
En leed en lijden uit
Neem dan tot dank het laatste lied,
Van mijne doffe luit.'

18. Hij stemde en zong, en wilde voort;
Maar zie, van 't hoogaltaar
Werpt hem het beeld de tweeden schoen,
van goud en peerlen zwaar!

19 Ontzet en tot de ziel geraakt,
Zag 't volk die wondren aan,
En riep ontroerd: 'O God! gij laat
Den braven niet vergaan.'

20. Zij vielen op het aangezicht,
En juichten in den Heer;
En zongen met den liereman,
De moeder Gods ter eer.


Luister hier