Poëtisch Liedgenootschap
"Tot Innerlijk Bloei"

Poëzie en volksrijmen getoonzet en gezongen door Anton Greefkes

Toen Boutens is 1898 debuteerde met de bundel “Verzen” was het voor de dichter haast onmogelijk aan de invloed van Gorter te ontkomem. Ook op de eerste verzen van Boutens is deze merkbaar, maar toch is er dan al direct zichtbaar dat zijn gevoeligheid ook geladen is met een zekere symboliek. Gorters sensitivisme daarentegen wilde het zintuigelijk doorleefde met uitschakeling van de geest direct verklanken. Gorter wil in deze periode slechts de natuur voor ons oproepen, Boutens daarentegen, zoals Van Deyssel schreef, beeld zijn gevoel af met de natuur.

Boutens is in onze literatuur het voorbeeld van de klassiek geaarde dichter; zijn aanleg in die richting werd ongetwijfeld versterkt door de studie en vertaling van de klassieke Griekse dichters. Hij studeerde klassiek letteren en was enkele jaren leraar.

“Bij elke dichter”, schrijven De Raaf en Griss in hun literatuurgeschiedenis Zeven eeuwen werken een vrouwelijk, louter gevoelig en een mannelijk of denkend beginsel samen. Dichters, bij wie het eerste overheerst, worden week en sentimenteel, de andere bij wie het begrip de overhand heeft, kunnen dor worden of nuchter. Bij de klassieke dichters houden beide beginselen elkaar in evenwicht. Tot hen behoort Boutens. Hij is de geestelijke toeschouwer van zijn eigen ziel, de ontroerde maar tegelijkertijd uiterst bewuste kunstenaar”.

Boutens wordt een moeilijke dichter genoemd. De moeilijkheid is in feite tweeledig; men men moet zich inleven in Boutens' neo-platonische levensbeschouwing en men moet zich vertrouwd maken met de gedrongen, soms van de normale afwijkende zinsbouw. Een in hoofdzaak 'eenvoudige' bundel is “Vergeten Liedjes” (1909). Moeilijk daarentegen, maar ook heel mooi is Carmina (1912).
Behalve lyriek scheef Boutens ook een, in eenvoudige toon gehouden, episch gedicht, dar zeer populair werd, namelijk Beatrys (1913). Het gegeven ontleende Boutens aan de bekende Middeleeuwse legende; hiermee vergeleken mist het de dramatiek, geen conflict, het directe realisme en de heldere plastiek, maar het bezit een subtiele klankschoonheid en een verfijnde sfeer.
Was het religieuze gebeuren voor de middeleeuwse dichter een realtiteit, voor Bouters is het een veraf en mooi sprookje. Beide werken verschillen in uitgangspunt en uitwerking, maat elk ervan is in zijn soort een eesterwerk dat wij niet zouden willen missen.