Willem Bilderdijk

1756 - 1831

Willem Bilderdijk

n van de merkwaardigste figuren uit de Nederlandse letterkunde is zeker Mr. Willem Bilderdijk. In het begin van de 19de eeuw troonde hij als vorst in het Rijk der Dichtkunst,of, wil men, als President in de Republiek der Letteren, (Te Winkel).
Evenals Staring behoort ook Bilderdijk nog gedeeltelijk tot de 18de eeuw; hij werd in 1756 te Amsterdam geboren. In de ouderlijke was weinig hartelijkheid, zijn vader een norse man en zijn moeder prikkelbaar. Daarbij kwam, dat de de jonge Bilderdijk erg aan huis gekluisterd was, vanwege een slecht behandelde wond aan een van zijn voeten. Het was daarom niet vreemd dat hij erg in zichzelf gekeerd was en wereldvreemd.
De tijd dat hij aan huis gebonden was gebruikte hij om te studeren. Door zijn talent en zijn goede geheugen, had Bilderdijk zich al op jeugdige leeftijd een grote kennis op allerlei gebied. Nadat hij vier jaar op het belastingkantoor van zijn vader had gewerkt, kreeg hij op vier en twintig jarige leeftijd toestemming om in Leiden te gaan studeren. Twee jaar later promoveerde hij in de rechten en vestigde zich als advocaat in Den Haag, waar hij in het huwelijk trad en een belangrijke rol speelde in de Prinsgezinde partij.
Bilderdijk had een allesbehalve gelukkig huwelijksleven. Bovendien raakte hij tot over zijn oren in de schuld. Toen in 1795 de Bataafse Republiek werd gesticht, moest Bilderdijk het land verlaten. Na omzwervingen ging hij in Londen wonen, waar hij met lesgeven probeerde de kost te verdienen. Hij ontmoette de schilder Sweickhardt, die ook in Den Haag gewoond had. Uit dankbaar heid voor de ondervonden gastvrijheid en geldelijke steun gaf Bilderdijk les aan de twee dochters van Schweickhardt, van wie de oudste,Katherina Wilhelmina, in 1797 zijn tweede vrouw. Dat deze stap voor een man als Bilderdijk moeilijk was, blijkt uit zijn gedicht Gebed. Hieruit blijkt dat hij een diep gelovig man was.

 

Weg met douderwetschen praat
Van gestelde machten!
Waar de wareld rond van gaat,
Zijn de dommekrachten.

O wat rij gezegende Eeuw
Die wy thands beleven

Nu het razend volksgeschreeuw
Elk de wet mag geven!

t Strij met God, Geweten, Eer
Afgesleten namen!
Foei, dat al bestaat niet meer,
Die moet elk zich schamen!

Eenmaal was al heel veel vast
Aan het Landsbesturen
Nu kan t ieder weversgast,
Of- hij vraagt het aan zijn buren.
.................................
Domheid, dolheid, razerny,
Eertijds aan de keten,
Geef de wet der maatschappy,
Dat mag zalig heeten.

Dat is t recht der menschlijkheid,
Daar moet elk voor buigen;
En wie anders denkt of zeit,
t Fransche moordtuig staat bereid
Om hem te overtuigen

1824

Bilderdijk heeft zeer veel geschreven. Ziojn complete dichtwerken, die door zijn leerling Da Costa met een levensbeschrijving uitgegeven werden, beslaan 15 dikke delen. Behalve gedichten schreef hij ook tal van wetenschappelijk werken op het gebied van taal, letterkunde en geschiedenis, waarin hij echter niet altijd zijn fantasie voldoende aan banden legde.
De meeste vam zijn gedichten hebben een godsdienstige strekking. Maar er zijn ook een aantal balladen en romancen onder; daaronder verstaat men korte verhalende gedichten, waaein n enkele gebeurtenis verteld wordt, die op het gevoel diepe indruk maakt. Deze dichtsoort was op het eind van de 18 de en in het begin van de 19de eeuw in de mode. de inhoud van sommige van die balladen houdt verband met Bilderdijks vermeende afstamming van de graven van Teisterbant.

In 1827 vestigde Bilderdijk zich voor de gezondheid van zijn vrouw te Haarlem, waar hij in 1831 gestorven is.
Hoe men ook over hem oordeelt en welke gebreken en zwakheden men hem ook verwijten kan, zeker is, dat hij een uitzonderlijk begaafd man geweest is..

gevonden in:

Bloemlezing
uit
De Nederlandsche letterkunde
van 1800 tot 1880

Door C. Apeldoorn
oud-hoofd mulo-school Zaandam
leeraar HBS Amsterdam
en

J. E. Dijkstra
hoofd mulo-school Amsterdam

uitgeverij J. Muuses- 1933- Purmerend