Isaac da Costa

1798 - 1860

Isaac da Costa

De Gaaf der pozie

Gevoel, Verbeelding, Heldenmoed,
te zaam gesmolten tot n gloed,
wen door den boezem uitgezonden
op vleugelen van melodie
om al wat ademt te betooveren,
om al wat hart heeft te veroveren-
ziedaar de gaaf der Pozie!

Ik ben geen zoon der lauwe Westerstranden!
Mijn vaderland is daar de zon ontwaakt!
En als de gloed der Libyaanse zanden,
zoo is de dorst naar Dichttkunst, de my blaakt!

Voor mij! n doel slechts heel mijn leven!
En uitzicht vult geheel mijn ziel!
En moogt my adem eer begeven,
dan dat dit uitzicht my ontviel!
t Is: met der Dichtkunst gewstverrukking
het Ongeloof en zijn verdrukking
om ver te stoten van zijn troon!
Hy, die de Goliaths doet treffen,
kan de aard van ‘t ongeloof ontheffen
door nen dichterlijken toon!

De laatste regel verwijst naar de strijd tussen David en Goliath. De reus Goliath en de kleine herdersjongen David die met n welgemikte worp een steen naar oliath slingerde en deze daarmee velde.
Zoals de kleine David, met Gods hulp de reus velde zo zou ook de dichter met Gods hulp het ongeloof bestrijden.
Behalve de Vijf en Twintig jaren schreef Da Costa nog verschillende andere grote gedichten, die hij samen uitgaf onder de titel Politieke Pozy. Die gedichten worden wel tijdzangen genoemd, omdat telkens een of andere belangrijke gebeurtenis er de aanleiding toe was.
Een heel bekend gedicht is ook Hagar. Hij schreef dit op verzoek van een Haarlemse uitgever, die een verzameling Engelse gravures, Bijbelse vrouwen voostellende, met dichterlijke bijschriften onder deze titel publiceren wilde.

De pozie van Da Costa is “soms meer rijk en kernachtig van inhoud en zin, dan glad en effen van vorm, en daardoor niet voor ieder lezer bij de eerste inzage altijd even licht te verstaan,” schrijft zijn vriend en geestverwant Hasebroek, die een complete uitgave van Da Costa’s gedichten bezorgde.
Toen Da Costa in 1860 stierf, bleek duidelijk, hoe algemeen bemint hij was, ook bij mensen, die niet instemden met zijn godsdienstige en politieke denkbeelden. “Da Costa was een edelman; Bilderdijk gaf er zich voor uit. tegen Bilderdijk zag men op; Da Costa had men lief” (Kalff)

 

Die brochure veroorzaakte veel ophef in ons land en hiermee was voor de dichter ‘t tijdperk van “belijden en strijden” aangebroken. Da Costa werd een van de voormannen van het Reveil, een beweging op godsdienstig gebied, waarvan de aanhangers in huiselijke samenkomsten streefden naar een godsdienstig leven, omdat zij de kerk te koud en te vormelijk vonden. Vooral in aristocratische kringen in Amsterdam en Den Haag kreeg die beweging veel aanhangers.
Tussen 1823 en 1840 heeft Da Costa weinig gedicht; zijn tijd werd geheel in beslag genomen door lezingen en propagandisch werk. van 1840 dateerd Vijf en twintig jaren, een lied in 1840, een groot gedicht, waarin hij de belangrijkste gebeurtenissen uit de jaren 1815- 1840 de revue laat passeren vooral om aan te tonen, dat de geest van revolutie en vervreemding van God een voortdurend gevaar opleveren voor de staat.
Met dit gedicht begint voor Da Costa het tijdperk van “dichten en stichten”, dat eigenlijk noets anders was dan het voortzetten van het belijden en strijden, maar nu ook in pozie. Want Da Costa schrijft niet in de eerste plaats gedichten om iets moois te scheppen. Voor Da Costa is de po 7zie een strijdmiddel. Zelf verklaarde hij. “dat, waar ook anders de spreuk moge gelden:”de kunst om alleen maar dekunst!” op het terrein van pozy, my aangewezen, de Dichter zich de bij ten voorbeeld mag stellen, die haar zeshoek van was niet niet bouwt om de schoone regelmatige figuur zelve, maar om de eetbare honing, die het hare bestemmingis daarin neder te leggen.”