Geboren te Wormerveer, 26 november 1864
overleden te Brussel, 15 september 1927
Voor meer informatie lees de onderstaande inleiding uit het boekje :
De dag gaat open als een gouden roos
een bloemlezing van Herman Gorter.
De inleiding is geschreven door Garmt Stuiveling.
Dit boekje is een uitgave in de Ooievaar -reeks
Amsterdam 1996
Bij elk groot dichter vindt men regels die hem in bijzonder mate kenmerken, kernregels waarin zijn persoonlijkheid zich met ongewone directheid openbaart, Temidden van verzen ontstaan uit wisselende stemmingen en ervaringen, treft zo’n fragment opeens met de constante kracht van een belijdenis.
Zulke regels heeft Herman Gorter geschreven in zijn episch gedicht “Pan” (1912), toen hij een lyrische passage aanving met de woorden:
Met al mijn bloed voor u geleefd,
O pozie, en, nu het sterven nader komt
Nu wil ik u nog eens eenmaal zeggen
En hij laat daarop volgen dat alles wat hem sedert zijn vroegste jeugd heeft ontroerd, in de natuur of onder de mensen, enkel betekenis heeft gehad terwille van de pozie. die uitspraak is des te merkwaardiger daar ze afkomstig is van een man die toen al vijftien jaar lang met hartstocht had deelgenomen aan de socialistische beweging, en dan ook naar veeler mening de pozie heeft voor de politiek heeft verruild. Maar al mag die mening verklaarbaar zijn, deels doordat het individualisnme van de Tachtigers zich toen nog krachtig deed gelden, deels ook doordat Herman Gorter maar weinig uitgaf en in het geheel geen lyriek meer, ze is toch een misverstand. Want Gorters lyrische getuigenis was war: de pozie ging hem boven alles, de grote pozie, die van Homerus en Aeschylus, van Dante en Shakespeare. Zijn boeiende levensloop, ook in politiek opzicht, is alleen te begrijpen als men uitgaat van de pozie.
De erfelijkheid van geestelijke factoren is door hun gecompliceerde aard een moeilijk wellicht onoplosbaar vraagstuk. Toch is het minstens waarschijnlijk, dat Herman Gorter zijn dichterlijke begaafdheid te danken had aan zijn vader, hoewel hij overigens ook van zijn ,moeders kant mag hebben meegekregen. innerlijke roeping en familietraditie hadden Simon Gorter doopsgezind predikant doen worden, maar voor zover zijn toegewijde ambsvervulling hem de vrije tijd liet, besteedde hij die aan de literatuur. Tussen 1865 en 1870 werkte hij o.a. mee aan de Gids. Zijn kritische en essayistische arbeid geeft blijk van een grote belezenheid en van een brede belangstelling voor meer dan schone letteren alleen. In zijn brieven toont hij zich een eerlijk en plichtsgetrouw man, met moderne liberale denkbeelden en een toenemende twijfel aan kerkelijke dogma’s. een langdurig verblijf in Zuid-Frankrijk, om gezondheidsredenen, gaf hem stof tot een gevoelig reisverhaal: “Arcachoon”. Toen Simon Gorter, na jaren van strijd tegen de tuberculose, te zwak was geworden voor het predikambt, nam hij in Amsterdam de hoofdredaktie op zich van de pas opgerichte krant ’ Het Nieuws van den Dag’. Een vroege dood heeft de volle ontplooing van zijn letterkundige en journalistieke gaven verhinderd.
Herman Gorter was nog geen zeven jaar toen hij zijn vader verloor; hij kan van hem nauwelijks andere herinnering hebben behouden dan ziekte en zorg. Maar stellig zal hij door de verhalen van zijn moeder een gaver beeld hebben, gekregen, veelzijdiger en gezonder. En toen hij uit het gebundelde werk later zelf de literaire gestalte leerde kennen, kan dit voor zijn ontwikkeling van bijzonder belang zijn geweest. Want tot het pittigste proza behoort van Simon Gorter behoort een beschouwing over beeldspraak, waarin ruim tien jaar voor de Tachtigers hun eisen van zuiverheid, zichtbaarheid en oorspronkelijkheid al zijn geformuleerd. niets is zo karakteristiek voor Herman Gorters pozie als het zintuigelijke en onretorische van zijn taalgebruik. aanleg of kritische bezinning? Waarschijnlijk beide: de aanleg zal door de bezinning zijn versterkt.
Na het gymnasium te hebben afgelopen werd Herman Gorter in 1883 student in de klassieke talen aan de nog jonge universiteit van Amsterdam. de Griekse en Latijnse literatuur is van duurzame betekenis voor hem geworden. Men bedenke daarbij , dat hij ze heel anders onderging dan de gemiddelde student van zijn generatie. De opkomende beweging van ‘80, die in oktober 1885 een strijdvaardig tijdschrift kreeg in De Nieuwe Gids, had verder strekking dan een ommekeer in de Nederlandse letteren alleen. Een nieuw, modern levensgevoel kwam in de jongeren tot bewustwording. Afkering van het traditionele in leven en kunst, begeerden zij het persoonlijke, het scheppende, het gepassioneerde. de verheerlijking van de pozie als de hoogste menselijke uiting, die naar het woord van Kloos ‘alleen het leven levenswaard maakt’, stelde ook hij gedichten uit voorbije eeuwen de filosofische en historische studie ondergeschikt aan een onmiddelijke emotionele belevenis. Indien enig werk ‘eeuwig’ heet, betekend dit immers dat het in ieder tijdvak aandoet als actueel. Voor Gorter waren de klassieken modern; hij heeft ze liefgehad met een hartstocht zoals alleen mogelijk is tussen levenden. Niets overtrof voor hem de grootheid van hun visie, de evenwichtigheid van hun vorm, de volheid en vastheid van hun verbeelding.
Gaf de sfeer van de ‘80 aan Gorters klassieke studie een ongewoon accent, omgekeerd heeft de invloed der klassiekers hem verhinderd Tachtiger te worden in de beperkte zin van dat woord. Wel schreef hij aanvankelijk sonnetten zoals hij ze bij Perk, Kloos en Verwey had gelezen. Maar al gauw ging hij zijn eigen weg. Bij de Tachtigers was de verbeelding van het mytholosche in enkele belangrijke fragmenten blijven steken: Okeanos; Persophone. Gorter nu schepte een eigen mythe, waarin Germaanse en Griekse gegevens speels worden gebruikt terwille van een autografisch motief. Zintuiglijker van vorm en tegelijk zinrijker van inhoud dan het werk van de anderen, vormt ‘Mei’ (1889) het ongevenaarde hoogtepunt van ‘80. Wie er niet anders dan de populair geworden bladzijden die van bloemlezing in bloemlezing overgaan, kan menen dat het Gorter in dit lyrisch epos alleen te doen is geweest om bekoorlijke natuurindrukken en beeldrijke mijmerijen. De tweede zang, in omvang groter dan de eerste en de derde zang bijeen, laat zo’n gemakkelijke opvatting niet toe. Uit de structuur van het werk-in-zijn-geheel blijkt, dat het Mei-meisje met haar aardse verrukking en haar boven aardse verlangen kennelijk symbool is van van ‘Gorters eigen jeugdige, naar volwassenheid groeiende wezen, terwijl Balder, de eenzame, blinde maar enig-scheppende godheid symbool is van een allesbezielende wereldgeest. Hun beider onvervulbare liefdesverhouding heeft een wijgerige zin, waarin men niet kan voorbijgaan, wil men dit belangrijke gedicht verstaan tot in de kern. En niet dit gedicht alleen: Gorter immers heeft in later jaren telkens weer geprobeerd heel zijn levensbeschouwing samen ter vatten in een episch werk. wie ‘Pan’ leest, vindt verwante symbolen en een gelijksoortige structuur.
Gorters ‘Mei’ is als een levend evenwicht van vele spanningen: traditie envernieuweing; herinnering en waarneming; verbeelding en emotie.
De vele details van inhoud en vorm blijven ondergeschikt aan de eenheid van dit werk met z’n architectonische bouw. in de bundel ‘Verzen’ (1890) is dit volstrekt anders: de duur en het nadenken zijn vervangen door het moment en de sensatatie. De pozie wordt voor Gorter de onmiddelijke neerslag van zijn gevoelens, hij geeft spontaan en als het ware ongecontroleerd de ritmen-en-beelden-stroom die in hem ontstaat, hetzij door indrukken van de buitenwereld, hetzij door stemmingen of ontroeringen van hemzelf. Twee op zichzelf tegenovergestelde oorzaken zijn dus werkzaam, een verhevigde en verfijnde waarneming van de natuur, en teven een verhevigde en verfijnde impressionistische schilderkunst, die hij kende van Breitner en anderen, voor de weergave van de onophoudlijke wisselende werkelijkheid gebruik heeft gemaakt van nieuwe vormen, kleuren en technieken, zo heeft Herman Gorter terwille van eigenzelfde doel naar eigen trant woorden geschakeld, woorden gestapeld, woorden geschapen, en het Nederlands gedwongen tot het uiterste waar een taal toe in staat is. Maar bovendien heeft hij zijn eigen diepste wezen, waarin een oneindige wereld van emoties tot bewustzijn kwam, zo volledig mogelijk willen uitdrukken in pozie, en voor de fijnste schakeringen van zijn gevoel telkens weer gezocht naar klanken, aanduidingern en suggestieve formules, die nieuw en oorspronkelijk zouden zijn, en vrij van het algemene en onpersoonlijkedat de gewone woorden en zinnen haast van nature aankleeft. Ook in dit opzicht heeft Gorter de taal verkend tot over de grenzen van de verstaanbaarheid. Zoals kort voor 1890 heel de moderne schilderkunst een aanvangt neemt in de onschoolse primaire kleuren en expressief mistekende vormen van Vincent, zo begint tezelfdertijd bij Gorter heel de moderne pozie. er is in ons land nooit een bundel verschenen, veelzijdiger in z’n kwaliteiten en vruchbaarder in zijn mogelijkheden dan deze ‘Verzen’ die naar Van Deyssels bewonderende karakteristiek ‘sensitief’ worden genoemd.
Toch heeft deze onmiddelijkheid van uiting Gorter maar vrij kort voldaan, misschien omdat hij voelde dat de beweeglijke wereld in hem en om hem niet volledig in woorden kon worden vastgelegd, misschien omdat hij de verbijzondering van het persoonlijke niet langer erkende als de hoogste menselijke en dichterlijke levensstijl. Talrijke verzen, aanvankelijk gepubliceerd maar later verworpen, wijzen erop dat hij behoefte had aan een duurzamer grondslag dan de vluchtigheid van waarneming of gestemdheid . die nieuwe vastheid vond hij bij Spinoza, Diens ‘Ethica’, door hem in 1895 vertaald, heeft jaren lang zijn denken berheerst en zijn gedichten genspireerd. Uit een roes van indrukken, gevoelens en woorden was hij gekomen tot zelfinzicht en rustige helderheid. maar de zuivere verhouding, waarin Spinoza hem plaatste tegenover het leven, bleef theorie zo lang Gorter niet de concequenties daarvan had getrokken in de praktische solidariteit met de medemens. toen hij in 1897 zich aansloot bij de nog jonge en kleine S.D.A.P., was dat een beslissing waarmee heel zijn persoonlijkheid mee gemoeit was, het dichterschap inbegrepen.
Men kon de verhouding nog beter omkeren: Gorter werd socialist als dichter; hij werd het natuurlijk ook om de ontrechte massa’s bij te staan, maar veel meer toch omdat hij van het strijdvaardig idealisme en de revolutionaire toekomstverwachting der arbeidsklasse een nieuwe en onuitputtelijke inspiratie verwachttevoor de letteren in het algemeen en voor zijn dichterschap in het bijzonder. hij gaf zijn grote, samenvattende bundel als titel: De School der Pozie, omdat hij het naar zijn gevoel ’ de Pozie was die mij leerde hoe ik misschien tot beter inzicht en geluk kon komen’. Duidelijker nog, en uitvoeriger, vindt men Gorters visie op de mens, de maatschappij en de dichtkunst geformuleerd in de volgende woorden: ’ Niet de aandoening allen, noch ook het het oppervlakkig gezicht der wereld, maar de wetten zelve waarnaar deze zich bewegen, als deze kennis door haar gevonden en voeld wordt, dan geloof ik dat de pozie eerst zou stijgen tot die hoogte, waarop wij allen hopen dat zij komen zal’.
Met de onvoorwaardelijkheid, die kenmerkend is voor zijn karakter, heeft Herman Gorter zich gegeven aan de socialistische arbeidsbeweging. Na zijn huwelijk in 1890 was hij enkele jaren in Amersfoort werkzaam geweest als leraar. 1893 vestigde hij zich in Bussum, waar hij privlessen in de klassieke talen gaf. Maar een groot deel van zijn tijd en kracht was beschikbaar voor de idee die hem gegrepen had. hij werd een onvermoeibaar propagandist, hield debatavonden, kwam in de redactie van het maandblad De Nieuwe Tijd, schreef artikelen en brochures, woonde congressen bij, en ontwikkelde zich tot geschoold Marxist. Op zoek naar het absolute geluk voor zichzelf en voor de mensheid, dacht hij en dichtte hij een gevoelswerkelijkheid die al van dit geluk vervuld was. Enkele heldere sonetten en ook het onvolprezen dubbelgedicht ’ Vanuit een nieuwe wereld treedt” bewijzen de ongemenen stralingskracht van zijn overtuiging. Niet het troosteloze proletarische leven omstreeks het eeuwjaar, maar een haast tijdeloos visioen van volkomen bevrijding inspireerde Gorter tot zijn werk. Hij was dus eenling in onze literatuur en vond voor de ‘Verzen’ die hij in 1903 publiceerde dan ook een geringer waardering dan de kwaliteit ervan verdiende.
Maakte het socialisme hem als dichter een uitzondering tussen de dichters van zijn tijd, niet minder maakte zijn dichterschap hem als socialist een uitzondering tusasen zijn partijgenoten. Zowel zijn marxistische theorie alsook de politieke praktijk uit het begin van deze eeuw, hebben Gorter gedreven in een richting welke steeds meer ging afwijken van die der meerderheid in de S.D.A.P.. De twee spoorwegstakingen in 1903, de tragische nederlaag van de Russische opstandelingen in 1905, het dreigende imperialisme van Duitsland en het daardoor gestegen oorlogsgevaar, zag hij als uitdagingen die de arbeidsbeweging moest beantwoorden met scherper klassenstrijd. In plaats daarvan richtte de partij zich echter op het parlementaire werk, die met zijn blijkbaar onomkoombaar opportunisme niets meer leek op de revolutionaire weg, die de geschiedenis-zelf aan het proletariaat had voorgeschreven. Maar ook dit marxistische inzivcht werd principieel betwist, na een groep ‘revionisten’ de maatschappelijke ontwikkeling sinds de dood van Marx openlijk aanvoerde als argument tegen enkele van zijn voornaamste stellingen. Gortes rechtlijnige denken, niet bereid om een visie van eeuwen te vervangen door een voorstelling betreffende jaren, verzette zich hartstochtelijk tegen dit revisionisme. in de loop van ongeveer tien jaar hebben de spanningen binnen de sociaal-democratie geleid tot conflicten die tenslotte onverzoenbaar bleken. Toen de organisatie de innerlijke tegenstellingen niet langer verdroeg en dwingende maatregelen onvermijdelijk waren geworden, kwam in 1909 te Deventer een buitengewoon congres bijeen. Daar werd met grote meerderheid besloten, van de minderheid te eisen, dat zij zouden ophouden met haar stelselmatige oppositie. Het gevolg was een scheuring, waardoor bondgenoten-van-jaren tot tegenstanders werden gemaakt. Hoezeer dit Gorter persoonlijk mag hebben aangegrepen, zijn overtuiging was ongeschokt: mede door zijn toedoen kwam nog diezelfde dag de oprichting van de S.D.P. tot stand.
In de jaren voor 1914, die ook internationaal een steeds dreigender karakter kregen, schiep Gorter zijn epische visioen dat ’ Pan ’ heet. De ontwikkeling van zijn socialistische pozie toont een duidelijke lijn: de ‘Verzen’ van 1903 worden beheerst door de persoonlijke gevoelens van Gorter als socialist; in ’ Een klein Heldendicht’ (1906)zijn het de gedachten en gevoelens van een aantal socialistische arbeiders, die Gorter uitbeeldt in gestileerde vorm; ‘Pan’ evenwel wil meer geven dan het lot van en of het lot van enkelen, ‘Pan’ omvat het leven van llen, de overgang van heel de mensheid naar een socialistische toekomst. In z’n onderdelen is dit werk vol van een episch realisme, zoals bijvoorbeeld de beschrijving van een staking; in z’n bouw echter wordt het beheerst door een lyrische symboliek: het liefdesgeluk van Pan en het Gouden Meisje is de eindelijke eenwording van de Natuur en de Mensheid. Hoe groot de afstand mag schijnen tussen dit visionaire gedicht en de praktische politiek, er is toch een onmiddelijk verband, z onmiddelijk zelfs dat Gorter door het naderen en uitbreken van de oorlog zich gedrongen voelde zijn tekst ingrijpend te herzien. In de eerste oorlogsjaren heeft hij met haast bovenmenselijke inspanning gewerkt, om zijn nieuwe inzichten en verwachtingen potische vorm te geven: de tweede, uitgebreide druk (1916) is niet alleen veel groter, maar ook veel bewogener, onevenwichtiger, gedrevener dan het aanvankelijke gedicht. Dit ongemene, in onze letteren met niets te vergelijken epos is het laatste wat Gorter zelf aan pozie heeft gepubliceerd, ofschoon hij nog tien jaar heeft geleefd. eerst door de uitgave van zijn nagelaten werk zou blijken, hoe actief zijn dichterschap is gebleven en welke motieven speciaal zijn lyriek hebben beheerst.
De schokkende gebeurtenissen uit de tijd vor de eerste wereldoorlog zijn door die van de oorlog zelf en de jaren daarna nog grotelijks overtroffen. De moord op Jaurs, de inval in Belgi, de ineenstorting van de socialistische internationale, het vreselijke lot van honderdduizenden jongemannen op de slagvelden; daarna de komst van de door Gorter voospelde revoluties in Rusland, in Oostenrijk, in duitsland; de gruwelijke dood van zijn geliefde en bewonderde geestverwanten als Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg; de diepe ontgoocheling toen Lenin, met wie hij in Zwitserland bevriend was geraakt; het Westeuropese communisme dwong tot politieke richtlijnen, die Gorter theoretisch onaanvaardbaar en praktisch onuitvoerbaar achtte. In 1920 ging hij naar Rusland om te proberen de leiders van de Derde Internationale, en speciaal Lenin, persoonlijk te overtuigen van het verkeerde van hun taktiek ten aanzien van het Westen. Op een schip dat Russische krijgsgevangene repatrieerde, werd Gorter met drie leden van de Duitse K.A.P. als verstekeling verborgen in een kleine laadruimte. de zeereis, alsook de doortocht door de Baltische staten, was levensgevaarlijk. na vele besprekingen hield Gorter, op het grote congres van de Derde Internationale te Moskou een laatste bezwerende rede, maar tevergeefs. Ontgoocheld en uitgeput keerde hij langs dezelfde hachelijke weg naar huis terug. Hij wist nu dat ook het Russisch communisme niet de vrijheid voor arbeidsklasse zou brengen. Toch betekende deze mislukte tocht naar Moskou positieve winst. Vereenzaamd wat zijn politiek betreft, met maar weinig medestanders, zag Gorter helder de nieuwe weg die gevolgd moest worden: die van de Arbeidsraden. Maar hij wist dat de weg te lang was, en dat hijzelf het einddoel niet meer bereiken zou.
Het kan nauwelijks verwonderen, dat al deze grote en voor Gorter aangrijpende gebeurtenissen hun weerslag hebben gevonden in zijn werk. In honderden kleine en grotere gedichten heeft hij aan zijn ontroeringen, van teleurstellingen soms, van geestkracht vaker, uitdrukking gegeven; maar zo lang hij leefde zijn enige bundels daarvan niet anders dan in enkele exemplaren priv gedrukt. Eerst door uitgave van zijn verzameld werk in acht delen is het mogelijk geworden de dichterlijke levensgang te overzien.
Het is duidelijk dat Gorters kunst twee facetten heeft, al van de aanvang af. het ene wordt gekenmerkt door de telkens weer beproefde samenvattende verbeelding, waarin alles zal worden uitgedrukt, heel de levensbeschouwing, heel de ontwikkelingsgang van mens en mensheid. dat is de lijn die al voor “Mei” in het jeugdwerk ‘Lucifer’ begint, dan via ‘Mei’ en de Balder-fragmenten zich voortzet met ‘Een klein Heldendicht’ en ‘Pan’- 1912 tot het enorme boek’pan’ 1916 daarna nog loopt langs de ‘Arbeidsraad’1925’ en tenslotte eindigt in de onvoltooide fragmenten uit de nalatenschap, die voor het eerst werden gepubliceerd in het achtste deel van zijn ’ Verzamelde Werk. Het is de lijn van de monumentale, de wijgerige, de visionaire, de naar-de-wereld-gekeerde Gorter, die met zijn kunst wat voor de mensen wil doen en wil zijn.
Garmt Stuiveling