Willem jacobsz. Hofdijk was de zoon van een Alkmaarschen goudsmid. Hij werd in 1816 geboren, was eerst eenige tijd onderwijzer en werd daarna klerk op het stadhuis in zijn geboortestad. Liefst zou hij kunstschilder geworden zijn, doch de middelen daartoe ontbraken hem. Toen hij echter door zijn teekeningen de aandacht op zich gevestigd had, kreeg hij van de gemeente Alkmaar verlof om zich met behoud van salaris als landschapsschilder verder te bekwamen. Maar al vrij spoedig kwam hij tot de overtuiging, dat zijn aanleg niet zoo groot was, als hij gedacht had. Door bemiddeling van Van Lennep werd hij benoemd tot leeraar in de Ned. Taal aan het Amsterdamsche gymnasium; die betrekking heeft hij tot zijn 70ste jaar vervuld. De laatste twee jaren van zijn leven woonde hij te Arnhem, waar hij in 1888 gestorven is. De middeleeuwen oefenden op Hofdijk als kleinen jongen een groote aantrekkingskracht uit. Een zolder in het ouderlijke huis had hij met zijn vrienden ingericht tot ,ridderzaal”; ,daar hingen hun hordpapieren met zilver overplakte harnassen, hun houten zwaarden en bogen; daar hield de ,Ridderbond” zijne tweekampen en steekspelen.” Diezelfde bekoring hadden de middeleeuwen voor Hofdijk als volwassen man. Duidelijk bl ij kt dat uit zij n meest bekende werk Kennemerland, Balladen. In dichtvorm vertelt hij daar middeleeuwsche overleveringen, die verbonden zijn aan verschillende dorpen in Kennemerland. Aan die bundel dankt Hofdijk de naam van ,,Minstreel van Kennemerland.”