Poëtisch Liedgenootschap
"Tot Innerlijk Bloei"

Poëzie en volksrijmen getoonzet en gezongen door Anton Greefkes

Frederik van Eeden

1860-1932

Hoewel Van Eeden met zijn cultuursprookje ,,De kleine Johannes" (1885) de ie aflevering van de eerste jaargang van ,,De Nieuwe Gids" opende, verschilde hij volkomen van de individualisten Kloos en Van Deyssel; alleen verafschuwde ook hij het werk der meeste ouderen, wier ,,poëzie" hij bespotte in de ,,Grassprietjes" (1885). In zijn zes bundels ,,Studies" vindt men o.a. kritieken over Van Deyssels ,,Een liefde" (wiens naturalisme hij afwees, daar hij als taak van de kunstenaar zag: méér te geven dan louter afbeelding der realiteit) en Gorters ,,Verzen" (welke hij om hun schone vorm prees). Van Eeden zocht mèèr, en daar in ,,De Nieuwe Gids" mèèr dan alleen een litteraire vernieuwing werd nagestreefd is Van Eeden dus volledig vertegenwoordiger van de gehele culturele vernieuwing dier dagen. Hij was ethisch, religieus, sociaal; hij zocht niet de ,,dingen" maar de ,,geest" en de ziel; hij begeerde niet alleen het schone, maar ook het ,,goede". In verband daarmee is zijn taal anders dan bij Kloos en Van Deyssel: hij geeft geen ,,woordkunst", maar ,,gedachtenkunst"; hij vertelt, de anderen schilderen; hij stelt de zin boven het woord. In dat opzicht was hij zijn tijd een kwarteeuw vr: Van Schendel hanteert pas weer de taal op die wijze. Ook als psychiater, medicus, socioloog en politicus was hij zijn tijd ver voor. Tegenover naturalisme gaf hij neo-romantiek; tegenover democratie stelde hij geestelijk leiderschap der ,,Koninklijken van den geest" (,,Welteroberung durch Heldenliebe", 1911), waarbij hij de dichter een leidende taak toewees (,,Koningschap en dichterschap", 1910); tegenover materialisme stelde hij ethisch- communisme, eenvoud en arbeidzaamheid en naastenliefde, welk ideaal hij nastreefde met zijn stichting ,,Walden", 1898, een op produktie-coöperatie gegronde utopistische kolonie tussen Bussum en 's Graveland, die in 1907 ten onder ging. Voor tallozen heeft Van Eeden zeer veel betekend; grote tijdgenoten in binnen- en buitenland erkenden in het ,,Liber amicorum" (1930) zijn internationale betekenis.

Vele heldere, sociale studies vindt men in de genoemde bundels; afzonderlijk verscheen o.a. ,,De blijde wereld" (1903).

Sinds 1886 publiceerde Van Eeden poëzie; aanvankelijk meer persoonlijke liefdes- en natuurlyriek (,,Ellen", 1891; ,,Van de passieloze lelie", 1901); later wijsgerige en religieuze poëzie (,,Het lied van schijn en wezen", 3 dln; 1895, 1910, 1922); na zijn overgang tot het katholicisme: ,,Aan mijn Engel-Bewaarder" (1922). Tederheid en verlangen naar inzicht kenmerken de inhoud; eenvoud en zuiverheid de vorm.

In ,,De kleine Johannes" (1885), dat algemeen bekend en bewonderd werd, vertelt de schrijver in sprookjesachtige vorm en uiterst simpel proza, van het zoeken van de mens, die eerst door zijn kinderlijke fantasie (Windekind) wordt geleid, daarna door drang naar weten (Wistik); Johannes raakt tijdelijk in de macht van het materialisme (Pluizer) en de droge kennisdrift (Cijfer). Maar bij het doodsbed van zijn vader overwint hij. de lagere machten in zich en vindt dan eindelijk Windekind terug: aan het strand ziet hij deze mèt de Dood in een glazen boot op zee, dr wenkt ook het persoonlijk geluk; maar aan de andere zijde nadert de Christusfiguur over de golven en wijst hem op zijn plicht ten aanzien van de lijdende mensheid: en Johannes kiest de laatste en gaat met deze Geleider naar de grote duistere stad ,,waar de mensheid was en haar weedom". In de latere delen (,,De kleine Johannes" 11, 1905; III, 1906) volgen wij Johannes dan in de wereld, worstelend; strevend en falend temidden van allerlei milieus: het arme volk, gemakzuchtige burgers, waan-wijze estheten, snobistische salon-spiritisten, kermisklanten. Bij deze laatsten vindt hij Marjon, het zuivere meisje, één der mooiste scheppingen van Van Eeden (herinnerend aan Femke in ,,Woutertje Pieterse"). Het boek eindigt met de dood van de Geleider (Markus) tussen strijdende socialisten en koningsgezinden (welke Van Eeden geen van beiden bewondert). Een visioen van een gelukkige toekomstwereld besluit het boek. In 1892 had Van Eeden in ,,Johannes Viator" Johannes' verhouding ten opzichte van het liefdesprobleem uitgebeeld in sterk symbolische, pathetische taal. In 1900 verscheen „Van de koele meren des doods", de ontleding van het zieleleven van een overgevoelige vrouw; vooral de beschrijving en karakterontleding in het eerste gedeelte is voortreffelijk; het slot is zwak. Ook ,,De nachtbruid" (1909) bevat prachtige gedeelten, vooral over het droomleven; ook de sfeer van een oud stadje is fraai weergegeven; Van Eedens didactische aard speelt hem hier echter parten, hinderlijker dan in zijn ander werk. Wijsgerig en religieus zijn ook de drie delen: ,,Sirius en Siderius" (1912; 1914; 1924), en het fijne boekje bij de dood van zijn zoon: ,,Pauls ontwaken" (1923).

Van Eeden schreef verder blijspelen (o. a. ,,De student thuis", 1886)

en treurspelen (zowel in verzen als in proza: ,,De broeders", 1894;

,,Lioba", 1897; ,,IJsbrand", 1908; ,,De heks van Haarlem", 1915).

bron: Beknopt overzicht van de Nederlandse letterkunde
uitgave van J.B. Wolters Groningen 17de druk