Poëtisch Liedgenootschap
"Tot Innerlijk Bloei"

Poëzie en volksrijmen getoonzet en gezongen door Anton Greefkes

Jan Engelman

1900 - 1972

Jan Engelman, dichter en journalist is 7 junu 1900 geboren in Utrecht en op 20 maat 1972 overleden te Amsterdam.
Als zoon van Cornelis Johannes Engelman, vishandelaar, en Carolina Francisca Engelkamp. Op 27 april 1922 getrouwd met Elizabeth Oosterman en zij schonk hem twee dochters

In dat zelfde jaar verscheen Engelmans bundel Noodweer, waarin, naast Ambrosia en de H. Maria, o.a. de waanzin van de oorlog en de betreurde dood van zijn vriend Marsman een plaats krijgen. Na de oorlog heeft hij nog eenmaal een aantal gedichten gebundeld: Het Bittermeer (1969). Hierin is weinig meer dat aan de eens zo gevierde dichter herinnert.

Ook als redacteur en medewerker van talloze tijdschriften heeft Engelman in de jaren twintig en dertig deelgenomen aan het literaire leven.
In tegenstelling tot die van vele rooms-katholieke tijdgenoten bleef zijn medewerking niet beperkt tot de rooms-katholieke tijdschriften, al is hij begonnen in Roeping en was hij medeoprichter van De Gemeenschap (1925), waarvan hij, op de periode 1930-1934 na, steeds redacteur geweest is.
De Vrije Bladen, Helicon, De Gids, Dietsche Warande en Belfort, Groot Nederland en zelfs Forum hebben bijdragen, proza zowel als poëzie, van hem afgedrukt.
Toch is het De Gemeenschap, een toonbeeld van esthetische vormgeving, zowel typografisch als wat illustraties en omslagen betreft, dat met recht zijn tijdschrift genoemd kan worden.
In 1930 verliet Engelman echter de redactie ten gevolge van een conflict met de gebroeders Kuitenbrouwer. Toen deze laatsten in 1934 uit de redactie verdwenen om een eigen, onverhuld fascistisch tijdschrift, De Nieuwe Gemeenschap, op te richten, keerde Engelman op verzoek van Anton van Duinkerken in de redactie terug. Vanaf deze tijd traden zij beiden, politiek wakker geschud en verlost van antiparlementaire ideeën, op als de rooms-katholieke bestrijders van fascisme en nationaal-socialisme.
Hun lidmaatschap van het Comité van Waakzaamheid is echter van korte duur geweest.

Na de oorlog heeft Engelman met Martinus Nijhoff en Adriaan Roland Holst nog het tijdschrift De Harp opgericht, waarvan maar twee nummers verschenen zijn.

Eind jaren dertig, maar sterker nog na de oorlog speelt in zijn werk bijna voortdurend de Grieks-klassieke cultuur een rol. Mag hij zich het Latijn al eigen gemaakt hebben via het kerklatijn, kennis van het Grieks heeft hij zich vooral tijdens de oorlog verworven, en wel in die mate dat ze hem in staat stelde een veelgeprezen vertaling van Sophocles' Oidipoes tot stand te brengen.
Zijn reisbrieven uit Griekenland, in 1955 verschenen onder de titel Tweemaal Apollo, getuigen van een grote voorliefde voor en kennis van de antieke kunst. Zowel de stad Amsterdam als de ANWB heeft dit boek bekroond.
Samenwerking van de muzikale dichter met componisten heeft geleid tot gelegenheidsspelen en opera's met muziek van o.a. Wouter Paap, Henk Badings, Hendrik Andriessen en Herman Strategier. Met de zangeres Joanna Diepenbrock is hij innig bevriend geweest.
Bekend is ook zijn vertaling van Bachs Matthäus Passion (1948).

Naast de genoemde prijzen verwierf hij in 1955 de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre.
Zijn laatste jaren leefde hij teruggetrokken in Amsterdam, sukkelend met zijn gezondheid.

De schriftelijke nalatenschap van Jan Engelman berust grotendeels bij het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum in Den Haag.

Onvolledige bibliografie in Jan H. Cartens, Jan Engelman [Brugge, 1960; 2e dr. 1967]. Ontmoetingen: nr. 20; Verzamelde gedichten (Amsterdam, 1960; 2e dr. 1972); 'De Katholieke Jongeren, Nolens en het Fascisme', in Raam (1966) 26 (,) 26-43; Het Bittermeer (Amsterdam, 1969); Tuin van Eros (Amsterdam, 1932; 13e dr. 1978).

Onvolledige bibliografie over Engelman in onder P genoemd werkje van Cartens; Karel Meeuwesse, 'De poëzie van Jan Engelman. Een proeve van analyse', in Roeping 20 (1942) 70-87; Harrie Kapteijns, Het maandblad De Gemeenschap. Intenties en aspecten (Utrecht [etc.], 1964); Jan Cartens, 'Orpheus en het lam. Jan Engelman en H. Marsman 1925 - 1940', in Raam (1966) 24 (,) ongew. herdr. in BZZTÔH ('s-Gravenhage, 1981); 'Engelman zeventig', in Raam (1970) 65 (mei); Harry Scholten, Aspecten van het tijdschrift De Gemeenschap (Baarn, 1978); A.H.J. Roes, Een schaduw die verschuift. Leven en werk van de jonge Anton van Duinkerken (Baarn, 1984); H. Stevens, 'Ambrosia, wat vloeit mij aan?', in De Revisor 12 (1985) 1 (febr.) 53 - 61; De Gemeenschap. Th.A.P. Bijvoet [et al.] ('s-Gravenhage, 1986). Schrijversprentenboek: 24.