Poëtisch Liedgenootschap
"Tot Innerlijk Bloei"

Poëzie en volksrijmen getoonzet en gezongen door Anton Greefkes

DE KOORTSDROOM

Een gedroomde dood

F. Greefkes

 

Waan en werkelijkheid vloeien in elkaar over, als ik daar zo sta, mezelf vastklemmend aan de stijlen van het bed met gespreide armen, wijdbeens.
Ik begrijp dat ik in deze kruisstand onwrikbaar sta.
Allerlei beelden komen mij voor ogen en ik merk dat ik door een onzichtbare hand omhoog wordt getrokken. Ook mijn bewustzijn, dat mij van boven vasthoudt (Johann), wordt mee omhooggetrokken evenals de anderen die zich ook aan mij vasthouden. Ik ben bang dat, één van ons zich niet vast houdt ,maar alle vier komen wij op een zolder.

De zolder is eindeloos groot en het is er schemerdonker. De gebinten, waarop het dak rust, zijn van het hardste eikenhout, iedere balk is minstens twee meter in omvang. De bouw is wonderlijk en ongewoon sterk, namelijk een gelijkzijdige driehoek, met daarin nog eens een kruisverband. Ongeveer om de vijf meter staat een kruisverband, links, rechts, voor achter, zonder eind. En opeens weet ik het.

Hierop rust het Al!

Voor mijn voeten is een vierkant gat, als was er een luik voor mijn voeten weggehaald. Daardoorheen zie ik onder mij de Aarde, als een onwaaschijnlijk grote bal, in een wolkenfloers draaien. Mijn metgezellen willen terug naar de Aarde en maken deze ruimte belachelijk.

Zij zeggen tegen elkaar "Er hatt Frau en Kinder"en proberen mij ervan te overtuigen met hen terug te gaan. Ik verzet mij en plaats mijn voeten aan beide zijden van het gat. Zij beginnen aan mijn voeten te trekken, terwijl de derde aan mijn hoofd zeurt, zeurt,ZEURT. Als zij mij te sterk dreigen te worden, steek ik mijn hand omhoog, wetend dat daar een steunpunt is.