Poëtisch Liedgenootschap
"Tot Innerlijk Bloei"

Poëzie en volksrijmen getoonzet en gezongen door Anton Greefkes

DE KOORTSDROOM

Een gedroomde dood

F. Greefkes

 

Opnieuw hoor ik mijn hartslag.
Ik heb mijn kleren uitgedaan en lig naakt in de vrieskou, gloeiend heet van de koorts. Mijn keel is gortdroog en mijn tong als een vuurbal in mijn tong. Ik denk aan thuis. Aan Jo, Frits en Johanna. Aan mijn vrienden en bekenden.
Wat betekende ik voor mijn vader, moeder, broers en zusters. Hoe denken ze over mij.

Het is een marteling.
Als een werveling in dromen,
Als een werkelijkheid kan zijn,
Als een onvermijdelijk komen,
Doet herinnering mij pijn.

Iedereen die ik in mijn leven heb ontmoet, kwam mij weer voor de geest, elke gebeurtenis, vanaf mijn prilste jeugd. Met de dood voor ogen zie ik wat een mislukking mijn leven was. Wat ben ik tekort geschoten, mensen die ik pijn heb gedaan. Er is niets goed in mij, niets wat mij vrij pleit.
Dan als ik niets ben geworden, zie ik, hoog boven mij, langs een hemelse melkweg, rijen engelen voorbij trekken. Bij hen zie ik ook de kleine Johanna: zij zal nu drie zijn.
Ik probeer haar te roepen en wenk, zodat zij zich over mij zal ontfermen. Ontfermen over mij, in mijn ellende, maar ik heb geen kracht meer en mijn stem heeft het begeven. O, zij die mij kent, ziet mij niet en gaat aan mij voorbij.

Ik sta in brand en ben met scherpe nagels aan het kruis geslagen. Mij dorst! Oh, al boog zij haar hoofd naar mij toe en gaf een kus op mijn mond, daardoor zou ik weer leven. Is er dan helemaal geen band meer tussen ons.
Dan, als ik geen hoop meer heb, valt er een traan uit haar oog, een twinkeling. Of er geen afstand is, valt de traan op mijn tong en blust de brand, die door mijn tong in mijn lichaam woedt.

Dan ben ik los van het kruis en kan gaan en staan waar ik wil.