Poëtisch Liedgenootschap
"Tot Innerlijk Bloei"

Poëzie en volksrijmen getoonzet en gezongen door Anton Greefkes

DE KOORTSDROOM

Een gedroomde dood

F. Greefkes

 

Inmiddels zijn we in de tweede hemel gekomen en ik kreeg te zien in wat voor tijd ik leef.
Dan voert de Geest mij verder in de derde hemel en zie ik dingen die niet te vertellen zijn, niet in woorden te vatten zijn, net zomin als de oceaan in een vingerhoed past.
Ik weet nu dat alles werkelijkheid is en verlang ernaar, alles wat ik zie aan de mensen te vertellen, zodat zij begrip zullen hebben van de dingen.
De Geest echter benadrukt, dat niemand mij zal geloven, zelfs al zou ik uit de dood opstaan.
Toch wil ik teruggaan in de beperking en verdwazing, die in de wereld voor goed en wijs doorgaat. Ik wilde deze vrijheid en blijheid op offeren al kon alleen mijn vrouw maar overtuigen van wat ik gezien heb.
Mij werd bekend gemaakt dat, wanneer ik in de stof wilde terugkeren, in mijn oude lichaaam of een nieuwe, kon ik hier niet meer verder gaan, want dan zou mijn geest ontbonden worden en was terugkeer niet meer mogelijk.
Daarom ben ik teruggegaan naar kilte die mensen Aarde noemen.
Ik zocht op Aarde naar een lichaam om in te wonen en zag mijn oude huis, leeg en onbewoond op het bed liggen. Ik besloot daar weer in te gaan.

Wat zullen mijn celgenoten opkijken, wanneer zij wakkker worden mij weer levend en wel aantreffen.
Het lichaam echter was helemaal koud en stijf geworden en ik moest mij vreselijk inspannen en door inwendige trilling en beweging de zaak weer op temperatuur brengen. De enige deken die ik bezat, gaf niet veel warmte en mijn kleren stonken, daarom hield ik mijn hemd aan.

Ik was moe, zo moe, en wilde alleen maar rusten.

De morgen was nog ver, en ik besloot nog eens op onderzoek uit te gaan, om wat te rusten voor de morgen aanbrak. Nu liet ik mij in de afgrond zinken.
Eerst kwam ik in een stikdonkere ruimte. Daarin was geen beweging mogelijk, noch een plek om te rusten of om mijn verkilling te verdrijven. Nog dieper zonk ik weg, maar hoewel de ruimte groter werd naarmate ik verder in de stof drong, vondt ik geen ogenblik rust. Want waar ik ben, is het als een holle bol, waarvan de wanden met zacht , zwart fluweel zijn bedekt. Daaronder is het geluid van een kudde olifanten, verder ontbrak het licht volkomen.
Ik wilde nog verder gaan, maar opnieuw zei de Geest dat er geen weg terug was. Daarom steeg ik weer op en keerde in mijn lichaam terug.