Poëtisch Liedgenootschap
"Tot Innerlijk Bloei"

Poëzie en volksrijmen getoonzet en gezongen door Anton Greefkes
Welkom! Pagina 1 Pagina 2 Pagina 3 Pagina 4 Pagina 5 Pagina 6 Pagina 7 Pagina 8 Pagina 9 Pagina 10

De marskramer

een vertelling van:

Anton Greefkes

Naar mijn idee was het al laat, hoewel het hier op deze breedte niet echt donker wordt.
Het werd het wel tijd een plek te zoeken om te rusten en iets warm te maken en een slaapplaats te zoeken.
Maar waar? Hier was niets dan moeras.

Zover het oog reikte "Geen wonder dat er hier mensen verdwijnen".
Ik hield in en keek het pad af. Zag ik daar een geschikte plek om te overnachten?
Daar was een heuvel die boven het eentonige en grauwe moeras uitstak.
Ik versnelde mijn pas en zag dat ik geluk had. Het was een rotsachtige heuvel. Aan één kant, de zuidzijde, was een grote overhangende rots, die mij beschutting zou bieden tegen de koude noordenwind.
Aan die zijde van de groeide ook wat bescheiden berkenboompjes beschut als ze waren tegen de noordenwind. Waarschijnlijk zou daar ook genoeg hout zijn te vinden voor een vuur. Ik haalde opgelucht adem toen ik de heuvel bereikte. Hier zou ik mijn kamp opslaan.

De plek overtrof mijn verwachtingen en onder de overhangende rots liet ik de bagage van mijn rug glijden en strekte mijn lichaam, bevrijd van de last. Aan de houtskoolresten en geblakerde stenen te zien was op deze plek kennelijk al eerder een kampvuur gemaakt. Geroutineerd maakte ik met de stenen een geschikte haardplaats en zocht wat dor gras en takjes. Het vuur brandde snel en tevreden wreef ik in mijn handen. Gezien de omstandigheden had ik het niet beter kunnen treffen. Ik haalde uit mijn bagage wat ik nodig dacht te hebben voor de nacht. Er was voldoende droog gras om mijn slaapplaats wat comfortabeler te maken
Ik pakte mijn keteltje, want ik had trek in koffie, maar dan moest ik wel schoon water hebben !
Was hier wel water?
Ik keek om me heen. Daar had ik niet aan gedacht.
Ik had wel altijd wát water bij me maar dat was niet genoeg om koffie van te zetten
"Ach, ik kan allicht even rondkijken, misschien vind ik wat, dan heb ik gelijk de boel verkend."

Linksom, liep langs de rand van het moeras, om de heuvel heen en ontdekte tot mijn verbazing een bronnetje met kristalhelder water.