Poëtisch Liedgenootschap
"Tot Innerlijk Bloei"

Poëzie en volksrijmen getoonzet en gezongen door Anton Greefkes
Welkom! Pagina 1 Pagina 2 Pagina 3 Pagina 4 Pagina 5 Pagina 6 Pagina 7 Pagina 8 Pagina 9 Pagina 10

De marskramer

een vertelling van:

Anton Greefkes

De dwerg maakte een handgebaar.
"Ik woon hier, dit is mijn holm. In het midden.
"Woon je hier?," Ik keek om me heen." Waar woon je dan, je wil toch niet zeggen dat je hier in de openlucht bivakkeert!
De dwerg leek hem niet tehoren, maar zei: " Wat sta je daar nu, zo met dat keteltje, ik lust ook wel wat warms. Wat ga je maken?"
"Koffie", zei ik.
Het kereltje keek me verwachtingsvol aan.
"Is dat lekker?" vroeg hij.
"Het smaakt prima, maar je wil me toch niet vertellen dat je nog nooit geen koffie hebt gedronken?" zei ik verwonderd.
"Nooit van mijn leven", antwoordde de dwerg. Ik bukte mij, deed nog wat hout op het vuur en schikte het wat zodat het keteltje er goed op zou blijven staan.
Terwijl ik het keteltje op het vuur zette keek ik tersluiks naar de Dwerg, wat hem niet ontging, hij glimlachte.
Ik ging bij het vuur op een grote kei zitten en wreef in mijn handen, die ik koesterde aan de warmte van het vuur.

We zaten een poosje zwijgend bij elkaar, wat was ik nieuwsgierig. Ik keek rond en vroeg:"waar woon je dan?"
"Daar". De dwerg wees naar de rotswand en plotseling was er op plaats waarheen hij wees een kleine houten deur. De dwerg grijnsde.
"Of nee. Daar! " Hij wees weer en nu was het deurtje aan andere kant.
Het mannetje had duidelijk plezier om de verbaasde uitdrukking op mijn gezicht.
Op het laatst kraaide hij van plezier, want overal waarheen hij wees verscheen en verdween het deurtje.