Poëtisch Liedgenootschap
"Tot Innerlijk Bloei"

Poëzie en volksrijmen getoonzet en gezongen door Anton Greefkes
Welkom! Pagina 1 Pagina 2 Pagina 3 Pagina 4 Pagina 5 Pagina 6 Pagina 7 Pagina 8 Pagina 9 Pagina 10

De marskramer

een vertelling van:

Anton Greefkes

Met lood in de schoenen ben ik naar de Grote Wijze gegaan en heb verslag gedaan van het gebeurde. Een ieder begreep dat het ergste was gebeurd. De Raad van Wijzen werd bijeengeroepen en ik moest me verantwoorden voor mijn falen.
Was ik een volwassen Dwork geweest, dan had men mij zeker gedood, maar men oordeelde dat mijn leermeesters mij een veel te belangrijke taak hadden toebedeeld. Daarom had men mij een, in hun ogen mildere straf opgelegd, om mij de kans te geven mijn fout weer ongedaan te maken.
Waarom zij mij deze dwaze straf hebben opgelegd in plaats van onmiddellijk met man en macht te proberen het Zwaard terug te halen, dat begrijp ik nu nog niet. Maar een of andere oud gebod sloot dat uit. Dat noemde zich wijs en alwetend. Wisten zij niet dat nood de wet breekt!"
"Had men mij maar gedood , riep de dwerg uit. "Gedoemd werd ik eeuwig op deze rots de schat te
bewaken, in afzondering van mijn volk, totdat ik er op een of andere manier in zou slagen het Zwaard weer terug te brengen op de plaats waar het hoort, dus hier.
Maar hoe. Dat wist ik niet, want ik mocht en kon geen moment deze rots verlaten

Het eens zo welvarende Rijk der Dworken is uiteen gevallen en rond de rots ontstond een moeras dat groter en groter werd. Zo zat ik eeuwen in eenzaamheid op de rots. Het leek dat ik voor eeuwig gedoemd was op deze plaats te blijven.
Tot op een dag de mens dit gebied doordrong, toen zag ik mijn kans schoon, het Zwaard weer terug te krijgen.
Maar hoe moeilijk het is om de mens vrijwillig zover te krijgen het Zwaard te zoeken merkte ik al bij de eerste mens, ik had hem mijn verhaal verteld en beloofd hem rijkelijk te belonen als hij het Zwaard voor mij zou zoeken. Hij zei tegen mij dat wel wilde doen, maar dat dan wel eerst die schat wel eens zou willen zien.
Echter toen ik hem de schat toonde werd hij zo verblind door hebzucht dat hij mij trachtte te vermoorden. Nou dat viel hem tegen, zijn gebeente rust nog daar. De Dwerg knikte met zijn hoofd richting moeras.