Poëtisch Liedgenootschap
"Tot Innerlijk Bloei"

Poëzie en volksrijmen getoonzet en gezongen door Anton Greefkes
Welkom! Pagina 1 Pagina 2 Pagina 3 Pagina 4 Pagina 5 Pagina 6 Pagina 7 Pagina 8 Pagina 9 Pagina 10

De marskramer

een vertelling van:

Anton Greefkes

Bovendien zal hij je, dienaar van Skuk altijd naar het eiland brengen Skuk is namelijk gek op mensen"
De dwerg grijnsde, maar ik kon zijn humor niet erg waarderen.
"Ben je eenmaal op het eiland dan zal je een gouden ring vinden met een grote robijn erin. Raap hem op, maar doe hem niet om je vinger! Doe de ring niet om je vinger! Blijf spelen op je fluit! Want de draak zal dan zeker ontwaken en je doden. Als hij ontwaakt, moet je om die reden voortdurend blijven doorspelen. Door de klank van de fluit wordt hij betoverd en kan hij niets doen. Stop je met spelen, dan zal hij zich boven op je storten en je verscheuren. Loop daarom al spelend naar de bron en gooi de ring erin. Het water zal rood kleuren en de draak zijn macht over het Zwaard verliezen. Het Zwaard zal in je hand zijn. Pas op, Skuk zal je aanvallen, maar het Zwaard zal hem zeker doden. Ook de Dienaar zal gedood worden. Neem dan de boot, roei terug en breng mij het Zwaard. En nogmaals ik zal je zeer rijk belonen!"
Ik haalde mijn schouders op, "Ik moet het eerst nog allemaal zien. Als ik mag geloven wat je me verteld en ik hoor hoelang jij hier al op deze rots zit. Bovendien, als ik jou zou doden, dan ben jij toch ook uit de zorgen", redeneerde ik grimmig. De Dwerg schudde zijn hoofd: "Helaas kan dat niet, eerst moet het Zwaard terug in de standaard."
"Je kan het proberen, want je hebt een mes in je hand, zei de dwerg. Maar ik zou wel oppassen, want het mes kan zich wel eens tegen jezelf richten". De Dwerg lachte zurig.
Tot mijn verbazing merkte ik dat ik een mes in mijn hand hield.
"Nou wat doe je?", vroeg de Dwerg, "Volgens mij heb je weinig keus". Ik hoorde niet wat hij zei, want ik merkte tot mijn verbazing, dat ik weer gewoon mijn kroes in mijn hand hield.
"Ga nu", hoorde ik de ongeduldige stem van de dwerg.
"Maar ik moet toch eerst wat eten", wierp ik tegen
"Ga", zei de Dwerg, "hij die het zwaard zoekt, zal hongeren noch dorsten, noch vermoeid raken".
Ik begreep dat ik niets anders kon doen dan te luisteren. Het moest, er was geen ontkomen aan.
Waar moet ik heen?" vroeg ik.

"Ga de weg verder die je gekomen bent, die voert je nu naar het Meer der Nevelen".
Ik zag dat de Dwerg ging staan en ik volgde zijn voorbeeld. Angst en onzekerheid om hetgeen mij te wachten stond lag als een klem om mijn hart. Maar wat kon ik doen? De Dwerg haalde een gordel te voorschijn en gaf deze aan mij.