Poëtisch Liedgenootschap
"Tot Innerlijk Bloei"

Poëzie en volksrijmen getoonzet en gezongen door Anton Greefkes
Welkom! Pagina 1 Pagina 2 Pagina 3 Pagina 4 Pagina 5 Pagina 6 Pagina 7 Pagina 8 Pagina 9 Pagina 10

De marskramer

een vertelling van:

Anton Greefkes

Het was nu windstil en de gloed van de noorderzon glansde op het spiegelgladde water en de nog steeds dichte mistflarden daarboven deden mij rillen. Het meer deed zijn naam alle eer aan.
Ik keek de oevers van het meer af zover ik kon zien, maar het moeras ging naadloos over in het meer. Er was geen kans om langs die weg aan mijn gevaarlijke opdracht te ontkomen. Bovendien wat moest ik zonder mijn handelswaar, alles was wat ik op deze wereld bezat.
Ik zou wel zien en haalde de fluit uit de gordel en nam hem in de hand en bekeek deze nog eens goed.
Het was een prachtig instrument, kunstig bewerkt goud, ongetwijfeld eeuwen oud, nu ik de fluit zo in zijn handen had, voelde ik magische kracht die het bezat. Ik zette de fluit aan mijn lippen en schrok van het geluid, omdat het ruw de stilte verstoorde. Niet dat het lelijk klonk of zo, nee in tegendeel het was van een betoverende schoonheid, maar omdat ik bang was voor de gevolgen.
Het duurde niet lang of er doemde een roeiboot op uit de mist. Een gestalte zat aan de riemen en liet deze met regelmaat, als was het op de maat van de muziek, in het water neerkomen. Mijn hart klopte in mijn keel en ik huiverde. Er was geen weg terug, ik moest verder.
Rustig blijven, hield ik mezelf voor, luister maar naar de muziek. Ik sloot de ogen en de betoverende klank, gaf mij rust. God, dacht ik, met deze fluit zou ik gemakkelijker aan de kost komen dan met een vracht koopwaar op mijn rug. Toen ik mijn ogen weer opendeed zag ik dat de veerman al bijna bij me was. Nog steeds speelde ik op de fluit en keek toe hoe de veerman geroutineerd, zonder op of om te zien, afmeerde.
Zwijgend keek hij toe, terwijl ik achter in de boot plaatsnam. De fluit speelde door, ik gruwde toen ik hem recht aankeek en zijn dode ogen zag, de duivelse grijns maakte zijn mismaakte gelaat nog afschrikwekkender dan het al was. Ik wendde mijn ogen af en tuurde in de mist of ik al iets van een eiland zag. Het spiegelende oppervlak van het meer werd alleen maar gebroken door de slag van de riemen en de boeggolf van de boot. De klanken van de fluit droegen ver over het water, ritmisch klonk de slag van de veerman en zelfs het klotsen van de boeggolf leek zich te voegen in de muziek. De muziek overstemde de dreiging die rondom hing, maar daaronder bleef hij alom aanwezig.
Zou het nog ver zijn naar het eiland? Vast niet, want de veerman was immers al snel op komen dagen.
Plotseling begon mijn hart weer sneller te kloppen, want een klein, vlak oplopend eiland doemde uit de mist op. Een damp steeg op uit het midden. Rook ik zwavel? Wij naderde het eiland nu snel. Ik zag dat helemaal kaal was, op enkele boomstompen na, drie tot vier meter hoog. Het leken fossielen van wat ooit hoge bomen moeten zijn geweest.