Hendrik Marsman
Poëtisch Liedgenootschap
"Tot Innerlijk Bloei"

Poëzie en volksrijmen getoonzet en gezongen door Anton Greefkes

Hendrik Marsman

1899-1940

Marsman, Hendrik, schrijver (Zeist 30-9-1899 - Aan boord van de SS 'Berenice' in Het Kanaal 21-6-1940). Zoon van Jan Frederik Marsman, boekhandelaar, en Maria Adriana Johanna van Wijk. Gehuwd sinds 18-12-1929 met Rina Louisa Barendregt. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Marsman, Hendrik

Marsman bezocht te Zeist de lagere school van de Evangelische Broedergemeente, en te Utrecht de Rijkshogereburgerschool. Uit zijn HBS-tijd dateert de vriendschap met Arthur Lehning, die afkomstig was uit de van oorsprong Duitse Hernhuttergemeenschap te Zeist, een milieu waarin Marsman regelmatig verkeerde en dat een onmiskenbare invloed op zijn latere ontwikkeling heeft gehad. Van jongs af aan kampte hij met een zwakke gezondheid en om die reden werd hij afgekeurd toen hij in 1914 toelatingsexamen deed voor de Zeevaartschool, zoals later ook voor militaire dienst.

In 1916 schreef hij zijn eerste - ongepubliceerd gebleven - gedichten, die van weinig belang zijn. Toen hij in 1918 door een langdurige longontsteking aan het bed gekluisterd was, ontstond poëzie die voor het eerst zijn eigen, onvervreemdbaar accent droeg al is er duidelijk de invloed in op te merken van Herman van den. Bergh, de belangrijkste figuur van het avant-garde tijdschrift Het Getij. Overigens zou Marsman nooit aan dit blad meewerken. Hij debuteerde als dichter in december 1918 in Stroomingen. Ook publiceerde hij nog in Albert Verweys orgaan De Beweging (1919).

De gedichten uit de eerste periode, die Marsman volgens de indeling van het door hemzelf samen gestelde Verzameld -werk (1938) laat beginnen in 1919, worden inhoudelijk gekenmerkt door projectie van het lyrisch ik in de kosmische ruimte en formeel door expressionistische tendensen in beeldspraak en versbouw. Tijdens een reis in de zomer van 1921 naar Berlijn kwam hij zeer sterk onder de indruk van expressionistische schilders als Franz Marc en dichters als Heym, Trakl en Stramm. In 1923 verscheen zijn eerste bundel Verzen, naar de kleur van het omslag weldra bekend als 'het rode boekje'. Met deze publikatie vestigde hij zijn naam als belangrijkste figuur in de naoorlogse literatuur, een positie die hij wist te versterken door zijn felle kritieken, waarin hij de eis stelde van een moderne poëzie, 'koel en soepel'.

Inmiddels was hij in 1921 begonnen met de juridische studie aan de Leidse universiteit. In 1922 deed hij staatsexamen gymnasium om toegang te krijgen tot het kandidaatsexamen rechten, dat hij in 1924 aflegde. Daarna zette hij zijn studie voort aan de Universiteit van Utrecht.

Eind 1924 werd Marsman, samen met zijn vriend Roel Houwink, de redactie opgedragen van De Vrije Bladen waarin de jongere schrijvers en dichters zich een jaar tevoren hadden verzameld nadat de groep om Het getij uiteengevallen was. Nu had hij de gelegenheid het geambieerde leiderschap uit te oefenen. Hij begon zijn redacteurschap van jaargang 1925 met enige stormachtige manifesten, waarmee hij streefde 'naar een sterk en bezielend groepsleven, naar het samenspannend verzet en élan van een jeugd'. In feite waren zijn appèls al evenzeer gericht tot zijn generatiegenoten als tot zichzelf om de weggeëbde vitaliteit en creativiteit weer op te roepen. Toen de verwachte resultaten niet snel genoeg kwamen trok hij zich aan het eind van de jaargang teleurgesteld terug als redacteur.

Vanaf ongeveer 1926 vangt een tweede fase in zijn dichterschap aan, waarin een sterke gepreoccupeerdheid met de dood, nu eens gevreesd, dan weer verlangd, op de voorgrond treedt. Voordien was dit probleem nooit afwezig in zijn poëzie, maar het werd verhuld door 'vitalistische' elementen. De bouw van zijn verzen wordt klassieker, de zeggingswijze minder kernachtig. In maatschappelijk opzicht voelde hij zich een tijd lang aangetrokken tot de hiërarchische structuur van de rooms-katholieke kerk vanuit de verwachting dat een dergelijke orde hem het bezielde verband zou verschaffen dat zijn leven zin kon geven. Om dezelfde reden ging zijn belangstelling uit naar de corporatieve staatsleer van het fascisme, waarin hij parallellen ontdekte met zijn idee dat de regering in handen diende te zijn van aristoi.

Lees hier verder