De oude schipper

Theodoor van Rijswijck

Lied voor het volk

Hij kruiste vijfig jaar op zee,
De wereld om en rond,
Nu lag hij oud en krachtloos neer,
In ‘t stulpje, dat bij ‘t woelig meer,
In ‘t zicht der golven stond.

Daar hoorde hij het windgegons,
Dat door den schoorsteen joeg;
Daar zag hij uit het klein vertrek
Nog eens naar d’ onafzienbre plek,
Die forsch haar golven sloeg.

“Ach!” sprak hij tot zijn trouwen maat,
En reikte hem de hand:
Ik hijg naar lucht, mijn adem stuit!
Kom, hef mij ‘t muffe leger uit,
En breng mij op het strand…

Verfrisch’ de zeewind mij nog eens,
Help mij den heuvel op;
Het waterkoeltje doet mij wel,
Kom breng mij, trouwe bootsgezel,
Nog eens bij ‘t stuivend sop!

Neen! weiger mij dit aanzoek niet,
Mijn leven neigt naar ‘t graf;
Hoor, hoe de stormwind loeit en woedt!
Het tochtje koel’ mij ‘t ziedend bloed,
Ach! help mij ‘t leger af!”

Nu zat hij op de hooge rots,
En aâmde zacht en ruim;
De rukvlaag dreef zijn lokken om,
De orkaan zwol, de golfslag klom,
En smeet met kokend schuim.

Hij wierp den laatsten straal der zon
Een schrampren glimlach toe,
Zag in de verte een ranke schuit,
Het won des elements ten buit,
En snikte droef te moe:

“Ginds slaapt mijn vader, ginds, in zee,
Mijn broeder ligt er bij;
Mijn zoon is in den vloed vergaan;
Zij rusten in den oceaan,
Hadde ik een graf als zij!”

En wagglend richtte hij zich op,
Als waar hij weer aan boord;
Als ging hij in het zwierend want,
Het kijkglas in de vaste hand,
Gericht naar ‘t blauwend oord.

Hij spiedde waar zijn vader sliep,
En waar zijn broeder was,
En waar zijn zoontje was vergaan…
Nu hief de rukwind feller aan,
En wilder sloeg de plas.

Hij draaide en viel, en plofte in ‘t nat
En dreef met stroom en tij,
En zonk getroost naar ’s afgronds diep,
Waar vader, broer en zoontje sliep,
En had een graf als zij!

gevonden in:
Nederlandse Liederen en Balladen
uitgever:C.M.B. Dixon & Co.

Muziek: Anton Greefkes


Luister hier naar "De oude schipper"