Poëtisch Liedgenootschap
"Tot Innerlijk Bloei"

Poëzie en volksrijmen getoonzet en gezongen door Anton Greefkes

E.J. Potgieter

1808 – 1875

Evenmin als die van Willem Bilderdijk (1756-1831), waren Potgieters Zwolse kinderjaren bijzonder gelukkig .
s Mogelijk heeft dit een levenslange indruk gemaakt op het voor de zachtere gevoelens zozeer ontvankelijk gemoed van de jongen, die op zijn dertiende jaar naar Amsterdam gezonden werd en daar leefde onder de hoede van zijn moeders zuster Wilhelmina van Ulsen.
Hij werd opgeleid in de leerhandel van Mejuffrouw Van Hengel, met wie tante Van Ulsen samenwoonde. In 1827 trok de jongeman onder de veilige hoede der beide dames naar Antwerpen; daar begon men een hande1 in suiker.
Drie jaar heeft Potgieter in de stad der sinjoren gewoond, er andere zeden en gewoonten leren kennen dan die in Zwolle of Amsterdam gebruikelijk waren.
Zijn vriendschap met de vader der Vlaamse beweging Jan Frans Willems (1793-1846) heeft zijn begrip van het Nederlanderschap verbreed en verdiept .

Potgieter had, als jongeman, Maurits Lijnslager gelezen en daaruit de verheerlijking van het zeventiende-eeuws verleden geleerd die hem levenslang bijblijft; hij had in Tollens’ trant gedichten gemaakt, die alleen maar getuigden van imitatie-vermogen; in Antwerpen hoort hij nu de middeleeuwse liederen zingen en brengt men hem op de hoogte van de buitenlandse romantiek. Uit deze jaren dateren zijn eerste publicaties van gedichten in het weekblad Apollo (1828) en verschillende almanakken.

De Belgische opstand doet hem, in 1830, terugkeren naar Amsterdam: er werd, voorlopig althans, een streep gezet onder een verleden dat hem dierbaar geworden was; de scheiding van vele goede vrienden ging de gevoelige jongeman aan het hart: droefgeestig en teleurgesteld moet hij zich een nieuwe toekomst scheppen
Hij maakt kennis met Jeronimo de Vries, met de gebroeders Klyn, met Withuys en Van Lennep, en was een aandachtig toehoorder van Isaäc da Costa (1798-1860). Ook met Yntema, de redacteur der Vaderlandsche Letteroefeningen, in wiens blad hij in dichtvorm uiting geeft aan zijn hooggestemd idealistisch gemoedsleven, dat velerlei omvat: geloof, mensheid en vaderland, vriendschap en de schone sekse, alsmede het verleden, en dit alles vaak doordrenkt van de bij Rhynvis Feith (1753-1824) bewonderde sentimentele stemming.
Maar naast Feith stond Anthonie Christiaan Wydnandt Staring (1767-1840). In elk geval – van wie hij het geleerd moge hebben – behoort het tot Potgieters steevaste gewoonten zijn gevoelens en gemoedsleven te objectiveren in een ander personage, liever dan ze onmiddellijk en spontaan uit te drukken. Zo schept hij thans reeds in „Wilhelms reize” de dichterlijke figuur van de hemzelf verbeeldende landjonker die hij zijn ganse leven zal handhaven.

In deze Amsterdamse tussenperiode verdiept hij zich ernstig in de moderne Engelse litteratuur, ook in Keats en Shelley. Een tussenperiode was het, want voorjaar 1831 onderneemt hij een reis naar Zweden die ruim een jaar duurt (tot December 1832). Deze reis bracht hem in aanraking met de hoger ontwikkelde kringen o.a, van Stockholm en Gothenburg; zij is daardoor van diep ingrijpende betekenis geweest voor zijn geestes- en gemoedsleven. Hij leert er het werk van de Skandinavische auteurs kennen, o,a. dat van de grote romantische dichter Tegnèr; hij leert er ook de jonge vrouwen kennen die zulk een onuitwisbare indruk op hem gemaakt hebben; Hilda Prytz, die wel zijn grote liefde lijkt, zal, ook na haar huwelijk met de koopman Wijk, zijn idool van edele vrouwelijkheid blijven 5). Ook ten aanzien van deze liefde – als van andere, die voorafgingen – moet hij zich terugtrekken in de resignatie, die hij objectiveerde in het gedicht De jonge priester 6). In Zweden kent hij, blijkens het bekende gedicht Holland, het heimwee naar het vaderland, welks kwaliteiten hij roemt met termen en denkbeelden, ontleend aan Jan Frederik Helmers’ Hollandsche Natie 7). Wanneer hij het land verlaat, schrijft hij het bewogen Afscheid van Zweden: het brengt ten volle de geestelijk volwassen Potgieter tot uiting, in de strakke beheersing van sterk innerlijk leven dat kracht aan tederheid paart. Beheersing van bewogenheid spiegelt zich ook in de kunstige strofenbouw, die slechts op een enkele plaats gewrongen werd. Met dit gedicht opent Potgieter later zijn Poëzy 1832 – 1868, eerste deel. Het opent een oeuvre van hoog artistiek gehalte al mist men bepaalde aspecten die Staring levend houden, Potgieter had een grote bewondering voor Da Costa, als dichter; men vindt bij de jongere de liefde voor de apostrophe die de oudere kenmerkt; hij kan soms toon en trant van Da Costa overnemen, en toch is Potgieter volstrekt zichzelf. Hij mist het luid declamatorische van Da Costa die tot een auditorium sprak en wenste te overtuigen. Potgieter declameert niet, hij spreekt voor zichzelf heen en hij spreekt uit de innigheid van zijn gemoed. Dit onderscheidt hem wezenlijk van de oratorisch-declamatorische school, – Maar nergens vervlakt zijn spreken tot het alledaags-zouteloze van Hendrik Tollens, tot het formuleren van onbeduidendheden: hij tracht een zo groot mogelijke rijkdom aan gedachten en gevoelens tot uitdrukking te brengen – en dit in bondige vorm, rijk aan zorgvuldig gekozen woorden, waarvoor hij ongetwijfeld in de leer is gegaan bij de bewonderde Staring, van wie hij zich in zijn jeugd in elk geval onderscheidde door een grotere emotionaliteit. Krachtens eigen persoonlijkheid, beïnvloed door de beste voorgangers, geeft aldus, op kunstige en kunstvolle wijze Afscheid uiting aan beheerste bezieling op de Potgieter zozeer typerende wijze. Het zal wellicht nodig zijn, nauwkeurig de invloed te onderzoeken die de Scandinavische litteratuur op Potgieter heeft geoefend, om de herkomst van zijn dichtvorm volledig vast te stellen.

Lees hier verder