Zeemansballade

Marie Boddaert

(1844-1916)

Jonkvrouwe Marie Bodaert, van Walcheren afkomstig, is met enkele gedichten blijven leven. "Zingeling" (de komst van de gepersonifieerde lente), "Kindergedachten"(Nacht is niet boos)en deze sterke vrijwel onversierde "Ballade", die in tijdorde vooraf gaat aan het naar inhoud en toon verwante "Flauw flikkert het lampje in de visserhut, Oud vrouwtje zit bij het vuur en dut"van Helene Swarth. Beide voor de voordracht bedoelde verzen werden door mensen van boven de vijftig nog wel van buiten gekend, op grond van het uit het hoofd reciteren, voor een cijfer (die vroeger meer worden geschreven dan nu) voor het forum van de klas en de leraar, dat jammer genoeg tegenwoordig bij de Nederlandici in het verdomhoekje staat.
Indertijd (1979) kon men het werk van Boddaert en tijdgenoten nogal vaak beluisteren in de radiouitzending "Beelden uit mijn kinderjaren", waarin bewoners van bejaardenhuizen, zingend, spelend en vertellend en ook voordragend aan het woord kwamen.
Het een en ander geschiedde op vrijdagmiddag, na vijf uur, onder leiding van Jos Timmer (KRO).
De beide vissersverzen passen bij de toenmalige schilders, allen vooraan de innige Jozef Israëls, die met voorliefde het vissersleven lieten zien, meer als een tragedie dan als een aan de natuur verbonden idylle. De hechte band tussen schrijven en schilderen in ons "fin de siècle" blijkt uit de titel: "Aguarellen", in welke bundel de Ballade werd opgenomen, in 1887 uitgegeven door J.C. van der Tol te 's Gravenhage.

Het schip voer weg, - Zij oogte het na
Het zonlicht ging met hem
Nog hoorde zij het laatste woord
Dier jonge diepe stem

Tot weerziens moeder, zijn kus
die op haar lippen brandt
Zijn blik die lang de hare zocht
Het wuiven van zijn hand.

Zij bergt het alles in haar hart,
Geen dag geen nacht gaat om
Of voor haar ogen rijst het beeld:
Houdt moed; ik kom weerom,

Heur haar is wit; haar wang verbleekt;
Vermagerd is haar leest;
Zijn brieven liggen voor haar neer,
Zij leest de laatste 't meest

En prest haar lippen op zijn naam
En op zijn jubelkreet:
"Ik kom mijn laatste brief!
Houdt huis en hart gereed!"

een kille lichteloze nacht
Was 't leven zonder hem;
Hij keer! de nacht heeft uit! Weldra
Hoor zij zijn lach zijn stem

Dan drukt zij hem in d' arm, en voelt
Zijn kus en strijkt zijn haar,
Zijn donkre lokken van 't gelaat
Veranderd - niet voor haar!

Zij zit en staroogt urenlang
Daar staat het reuzengroot;
"Ik kom weerom"! Wordt nimmerwaar
Men zei: "Uw zoon is dood;"

Hij stierf op zee en nog veel meer.
Zij heeft het niet verstaan
"Ik kom weerom!" - zo fluistert zij,
En kijkt u lachtend aan

En iedre morgen wacht zij hem
Dan gaat zij naar de ree,
En doolt de schepen langs, en tuurt
Naar de eindeloze zee

En iedre middag wacht zij hem
En zet zijn stoel gereed;
Er toeft een glimlach op 't gelaat
In feestlijk zondagskleed.

En ied'ren avond wacht zij hem
En strookt zijn peluw
En luistert, - tot het laatst geluid
Gestorven is in stad

En, Als zij 't oog voor altijd sluit
Dan is 't, schoon bleek en stom
Als murmelden haar lippen nog:
"Houdt moed; ik kom weerom"

Nu drukt zij hem in d' arm, en voelt
Zijn kus en strijkt zijn haar,
Zijn donkre lokken van 't gelaat
Zijn niet veranderd - voor haar!

Bron: Balladenboek dr. Tjaard W.R. de Haan
uitgegeven als Prismapocketboek (nr 1899) door uitgeverij Het Spectrum BV 1979

Muziek: Anton Greefkes (1994)


Luister hier naar de "Moederverdriet"